Casino’s per inwoner: hoe Nederland zich verhoudt tot de rest van Europa
Hoeveel casino’s heeft een land eigenlijk nodig? Het is een vraag zonder objectief antwoord, maar wel een vraag die interessant wordt zodra je landen naast elkaar legt. Nederland blijkt namelijk een uitgesproken positie in te nemen. Gemeten naar het aantal fysieke casino’s per inwoner zit ons land aan de onderkant van Europa, en de verklaring daarvoor ligt niet in de vraag van spelers, maar in een bewuste keuze die ruim vijftig jaar geleden is gemaakt. Tegelijk is het speelgedrag inmiddels breder geworden, omdat spelers naast fysieke vestigingen ook kijken naar digitale vormen van ontspanning, zoals een online casino zonder registratie, waar gemak en toegankelijkheid een andere rol spelen dan bij het traditionele casino op locatie. Deze analyse zet de cijfers op een rij, vergelijkt ze met de grote Europese markten, en kijkt naar wat de getallen wel en niet vertellen.
Een land, een vergunning, dertien deuren
Om Nederland te kunnen vergelijken, moet eerst helder zijn wat hier precies geteld wordt. In Nederland mag op grond van de Wet op de kansspelen slechts een enkele rechtspersoon casinospelen aanbieden. Die vergunning kwam in december 1975 in handen van Holland Casino, en sindsdien is er nooit een tweede partij bij gekomen. Holland Casino is een staatsdeelneming: de Staat is volledig aandeelhouder en de nettowinst vloeit terug naar de schatkist.
Op dit moment heeft Holland Casino dertien fysieke vestigingen, verspreid over het land. Dat waren er tot voor kort veertien, maar in 2025 sloten de historische vestiging in Zandvoort en de Lido Club hun deuren. Met ongeveer 18 miljoen inwoners komt Nederland daarmee uit op grofweg een casino per 1,4 miljoen mensen. Belangrijk om te benadrukken: dit gaat uitsluitend over echte casino’s, dus locaties waar live tafelspelen zoals roulette en blackjack worden aangeboden. De ruim 230 gokhallen en de duizenden speelautomaten in de horeca vallen hier nadrukkelijk buiten, omdat dat juridisch een ander type aanbod is.
De vergelijking met de grote Europese markten
Zet je die Nederlandse verhouding naast de grote buurlanden, dan wordt het contrast meteen zichtbaar. Frankrijk heeft met afstand de meeste casino’s van Europa, ongeveer 205 stuks in 2024. Bij een bevolking van zo’n 68 miljoen komt dat neer op ruwweg een casino per 330.000 inwoners. Het Verenigd Koninkrijk volgt met 144 fysieke casino’s, eveneens op een bevolking van rond de 68 miljoen, oftewel ongeveer een per 470.000 inwoners. Duitsland telt grofweg 126 Spielbanken op ongeveer 84 miljoen inwoners, wat uitkomt op zo’n een per 670.000.
Nederland zit met een casino per 1,4 miljoen inwoners dus op een paar keer minder dicht aanbod dan Duitsland, en op een veelvoud minder dan Frankrijk. Waar een Fransman zelden ver van een casino vandaan woont, moet een Nederlander er in de regel flink voor reizen. Dat geldt zeker voor wie in Zeeland, Drenthe of Flevoland woont, want die provincies hebben helemaal geen vestiging van Holland Casino.
Nederland is laag, maar niet het laagste
Toch zou het te kort door de bocht zijn om Nederland zonder meer als Europese uitschieter naar beneden te bestempelen. Er is namelijk een land dat nog veel verder gaat in schaarste: Italie. Ondanks een gigantische gokmarkt heeft Italie slechts zes fysieke casino’s, gevestigd in plaatsen als Venetie, Sanremo en Campione. Op een bevolking van bijna 60 miljoen betekent dat ongeveer een casino per tien miljoen inwoners. In dat licht is het Nederlandse aanbod juist royaal te noemen.
Wat dit laat zien, is dat een laag aantal casino’s per inwoner niet automatisch iets zegt over hoeveel er in een land gegokt wordt. Italie is een van de grootste gokmarkten van Europa, maar dat geld stroomt vooral naar online platforms, loterijen en speelautomaten, niet naar de casinovloer. Nederland en Italie laten allebei zien dat de fysieke casinodichtheid een politieke en historische keuze is, geen automatische afspiegeling van de vraag.
Waarom Nederland zo weinig casino’s telt
De verklaring voor de Nederlandse positie is bijna helemaal terug te voeren op het model dat in 1975 werd gekozen. De overheid besloot destijds bewust om maar een enkele vergunning te verstrekken, en die in handen te leggen van een staatsgecontroleerde organisatie. De gedachte daarachter was niet om het aanbod zo groot mogelijk te maken, maar juist om het beheersbaar te houden. Een monopolie laat zich nu eenmaal makkelijker controleren dan een markt met tientallen concurrerende exploitanten.
De doelstellingen van het Nederlandse kansspelbeleid sluiten daar logisch op aan: het kanaliseren van de vraag naar een legaal en betrouwbaar aanbod, het beschermen van de speler, en het tegengaan van illegaliteit en criminaliteit. In dat kader is een beperkt aantal goed gecontroleerde locaties geen tekortkoming, maar het uitgangspunt. Het verschil met Frankrijk is veelzeggend. Daar groeide het casinolandschap historisch rond kuuroorden en badplaatsen, waardoor er een fijnmazig netwerk van vaak kleinere casino’s ontstond, lokaal verankerd en privaat geexploiteerd. Twee landen, twee filosofieen, en een groot verschil in dichtheid als gevolg.
De definitiekwestie die alles kleurt
Bij elke vergelijking van dit type schuilt er een addertje onder het gras, en dat is de definitie. Tel je alleen volwaardige casino’s met tafelspelen, dan staat Nederland laag. Maar tel je alle gokgelegenheden mee, dus ook speelhallen, automatenhallen en gokpunten in de horeca, dan verschuift het beeld aanzienlijk. Europa telde in 2024 bij elkaar bijna 130.000 gokgelegenheden, meer dan alle andere werelddelen samen, en in dat totaal wegen de duizenden kleine speelhallen veel zwaarder dan de paar honderd grote casino’s.
Voor Nederland betekent dit dat het beeld kantelt afhankelijk van wat je meerekent. Dertien casino’s klinkt karig, maar samen met 230 gokhallen en ruim 10.000 spelersplaatsen in de horeca is het totale fysieke gokaanbod een stuk dichter dan het casinocijfer alleen suggereert. Een eerlijke vergelijking vereist dus dat je voor alle landen dezelfde maatstaf hanteert, en dat is precies waarom losse ranglijstjes met casino-aantallen vaak misleiden. De cijfers in deze analyse gaan consequent over volwaardige casino’s, zodat de vergelijking tussen landen zuiver blijft.
Een model dat mogelijk gaat veranderen
Tot slot is het goed om te beseffen dat de Nederlandse situatie geen natuurwet is. Er ligt een wetsvoorstel dat het monopolie van Holland Casino zou opheffen en de markt voorzichtig zou openstellen. In die nieuwe ordening zouden er maximaal zestien casinovergunningen kunnen worden verleend, waarbij een aantal bestaande vestigingen wordt afgesplitst en er ruimte komt voor nieuwe aanbieders in regio’s als Zuid-West en Oost. De eeuwigdurende vergunning zou worden ingeruild voor vergunningen van vijftien jaar.
Mocht dat doorgaan, dan schuift Nederland langzaam op richting het model dat in veel andere Europese landen al gangbaar is, met meerdere exploitanten naast elkaar. Of dat ook leidt tot meer casino’s per inwoner, valt nog te bezien, want zestien vergunningen is nog altijd bescheiden op de schaal van Frankrijk of het Verenigd Koninkrijk. Wat de vergelijking vooral duidelijk maakt, is dit: het aantal casino’s per inwoner zegt minder over hoe graag een land gokt, en veel meer over hoe een land zijn gokmarkt heeft besloten te ordenen. Nederland koos voor weinig, gecontroleerd en in staatshanden, en die keuze is in de cijfers nog altijd terug te zien.
Welke benadering vind jij verstandiger: een fijnmazig netwerk van veel kleine casino’s, of een handvol grote, streng gecontroleerde vestigingen?
Verder lezen